Nederlands StatenVertalings 1715 Bijbel

 

The Book of Psalms

 

Hoofdstuk 75

 

 

1.

 

Voor den opperzangmeester, Altascheth; een psalm, een lied, voor Asaf. Wij loven U, o God; wij loven, dat Uw Naam nabij is; men vertelt Uw wonderen.

    
 
 

2.

 

Als ik het bestemde ambt zal ontvangen hebben, zo zal ik gans recht richten.

    
 
 

3.

 

Het land en al zijn inwoners waren versmolten; maar ik heb zijn pilaren vastgemaakt. Sela.

    
 
 

4.

 

Ik heb gezegd tot de onzinnigen: Weest niet onzinnig; en tot de goddelozen: Verhoogt den hoorn niet.

    
 
 

5.

 

Verhoogt uw hoorn niet omhoog; spreekt niet met stijven hals.

    
 
 

6.

 

Want het verhogen komt niet uit het oosten, noch uit het westen, noch uit de woestijn;

    
 
 

7.

 

Maar God is Rechter; Hij vernedert dezen, en verhoogt genen.

    
 
 

8.

 

Want in des HEEREN hand is een beker, en de wijn is beroerd, vol van mengeling, en Hij schenkt daaruit; doch alle goddelozen der aarde zullen zijndroesemen uitzuigende drinken.

    
 
 

9.

 

En ik zal het in eeuwigheid verkondigen; ik zal den God Jakobs psalmzingen.

    
 
 

10.

 

En ik zal alle hoornen der goddelozen afhouwen; de hoornen des rechtvaardigen zullen verhoogd worden.

    
 
 

Psalms 76

 

 

 

 

 
 
HTMLBible Software - by johnhurt.com