Nederlands StatenVertalings 1715 Bijbel

 

The Book of Psalms

 

Hoofdstuk 12

 

 

1.

 

Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Scheminith. Behoud, o HEERE; want de goedertierene ontbreekt, want de getrouwen zijn weinig geworden onder de mensenkinderen.

    
 
 

2.

 

Zij spreken valsheid, een ieder met zijn naaste, met vleiende lippen; zij spreken met een dubbel hart.

    
 
 

3.

 

De HEERE snijde af alle vleiende lippen, de grootsprekende tong.

    
 
 

4.

 

Die daar zeggen: Wij zullen de overhand hebben met onze tong; onze lippen zijn onze! Wie is heer over ons?

    
 
 

5.

 

Om de verwoesting der ellendigen, om het kermen der nooddruftigen, zal Ik nu opstaan, zegt de HEERE; Ik zal in behoudenis zetten, dien hij aanblaast.

    
 
 

6.

 

De redenen des HEEREN zijn reine redenen, zilver, gelouterd in een aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal.

    
 
 

7.

 

Gij, HEERE, zult hen bewaren; Gij zult hen behoeden voor dit geslacht, tot in eeuwigheid.

    
 
 

8.

 

De goddelozen draven rondom, wanneer de snoodsten van des mensenkinderen verhoogd worden.

    
 
 

Psalms 13

 

 

 

 

 
 
HTMLBible Software - by johnhurt.com