Nederlands StatenVertalings 1715 Bijbel

 

The Book of Psalms

 

Hoofdstuk 6

 

 

1.

 

Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth, op de Scheminith. O HEERE, straf mij niet in Uw toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid!

    
 
 

2.

 

Wees mij genadig, HEERE, want ik ben verzwakt; genees mij, HEERE, want mijn beenderen zijn verschrikt.

    
 
 

3.

 

Ja, mijn ziel is zeer verschrikt; en Gij, HEERE, hoe lange?

    
 
 

4.

 

Keer weder, HEERE, red mijn ziel; verlos mij, om Uwer goedertierenheid wil.

    
 
 

5.

 

Want in de dood is Uwer geen gedachtenis; wie zal U loven in het graf?

    
 
 

6.

 

Ik ben moede van mijn zuchten; ik doe mijn bed den gansen nacht zwemmen; ik doornat mijn bedstede met mijn tranen.

    
 
 

7.

 

Mijn oog is doorknaagd van verdriet, is veroud, vanwege al mijn tegenpartijders.

    
 
 

8.

 

Wijkt van mij, al gij werkers der ongerechtigheid; want de HEERE heeft de stem mijns geweens gehoord.

    
 
 

9.

 

De HEERE heeft mijn smeking gehoord; de HEERE zal mijn gebed aannemen.

    
 
 

10.

 

Al mijn vijanden zullen zeer beschaamd en verbaasd worden; zij zullen terugkeren, zij zullen in een ogenblik beschaamd worden.

    
 
 

Psalms 7

 

 

 

 

 
 
HTMLBible Software - by johnhurt.com